En weer heft de coalitie de wethouder op het schild

Het ging er weer ouderwets aan toe tijdens de debatraad van jl. 9 september. Wij brachten daar onze kritiek naar voren op de handelwijze van wethouder Jansma tijdens de bespreking van het raadsvoorstel “Landelijk gebied, Landgoed Pijnenburg” waar de wethouder de heer Korsse, hij is jurist van de landgoedeigenaar, alle ruimte gaf om als zíjn adviseur te reageren op de inspraak van de heer Bosch van Drakestein. Die laatste gaf namens de Stichting Natuur en Landschap Lage Vuursche e.o. de nodige kritiek op de bestuurlijke lus die het college samen met de landgoedeigenaar had bedacht om de bouw van een theehuis te kunnen realiseren op het weiland Overbosch. En passant zette de jurist de Dassenwerkgroep Utrecht en ‘t Gooi en Milieuzorg Zeist in een kwaad daglicht door in strijd met de waarheid te stellen dat die partijen op een uitnodiging voor overleg zouden hebben laten weten “wij gaan hier niet aan meewerken, zoek het zelf maar uit”. Zie voor meer achtergrondinformatie: Gelijke monniken, gelijke kappen. Onze kritiek op de handelwijze van de wethouder werd gedeeld door de fracties van de PvdA, VoorBaarn en GroenLinks. De coalitiepartijen sloten daarentegen zoals gebruikelijk in dit soort discussies de rijen: “Prima gedaan wethouder, de jurist van de landgoedeigenaar had een uitstekend verhaal en niet meer dan logisch dan u het standpunt van de landgoedeigenaar namens u naar voren kon brengen. Hartstikke goed gedaan, volgende keer weer zo doen.” Geen van de woordvoerders van de VVD, D66, CDA en CU/ SGP ging inhoudelijk in op de door de opposanten naar voren gebrachte bezwaren tegen de bedachte bestuurlijke lus om het weiland Overbosch als foerageergebied voor de das te ‘verbeteren’. Sterker nog, net als eerder het geval was inzake de aanbesteding van het participatietraject Landgoed Paleis Soestdijk lieten de coalitievazallen die bezwaren links liggen en hieven zij de wethouder op het schild en volstonden zij met het prijzen van zijn handelwijze. [Volledigheidshalve is hieronder onze inbreng tijdens het debat van 9 september geplaatst.]

Dit schrijft de Baarnsche Courant

Vervolg bij de Raad van State

Tijdens de besluitraad van komende 23 september zal de BOP zonder er verder woorden aan vuil te maken tegen het betreffende raadsvoorstel stemmen. Ondertussen wensen wij de opposanten veel succes bij de voortzetting van het proces bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS). Het zou zomaar kunnen dat de RvS de kritiek op de zogenaamde verbeteringsplannen voor het leefgebied van dassen op het landgoed wél op juiste waarde weet te schatten en alsnog een streep zal zetten door het bestemmingsplan. Daarbij sluiten wij niet uit dat RvS ook iets zal zeggen over de onzorgvuldige wijze waarop het college en de raad zijn omgegaan met de belangen van de Dassenwerkgroep Utrecht en ‘t Gooi, Milieuzorg Zeist en de stichting Natuur en Landschap Lage Vuursche en Omstreken.

Kees Koudstaal


 

Startinbreng debat 9 september

Voorzitter, over het voorliggende raadsvoorstel aangaande de bestuurlijke lus die het college voorstelt om te kunnen voldoen aan de tussenuitspraak van de Raad van State inzake het bestemmingsplan “Landelijk gebied, Landgoed Pijnenburg” kan ik kort zijn. Wij steunen dit raadsvoorstel niet, in december 2017 hebben wij al aangegeven waarom wij tegen de komst van een theehuis op het weiland Overbosch zijn en ons standpunt dat een dergelijke toeristische voorziening daar niet past omdat het een te zware belasting vormt voor de natuurwaarde van het landgoed dat ligt binnen het Natuurnetwerk Nederland is niet gewijzigd.
Tijdens de informatieraad vorige woensdagavond stelde ik een vraag aan de wethouder aangaande de inspraak van de heer Bosch van Drakestein over dit onderwerp. Die gaf onder andere aan waarom zijns inziens het collegevoorstel niet voldeed aan de uitspraak van de Raad van State. Met name gaf hij aan dat er van een kwalitatieve verbeterslag die het college zegt te maken voor het weiland geen sprake is. Sterker nog, de kwaliteit van het weiland, dat momenteel onder andere geldt als fourageergebied voor een aantal dassen, gaat er juist op achteruit. Die opinie wordt ook gedeeld door de Dassenwerkgroep Utrecht en ‘t Gooi. En de motivaties daarachter gelezen hebbende, delen wij dit standpunt. Na de inspraak van de heer Bosch van Drakestein, hij is secretaris van de Stichting Natuur en Landschap Lage Vuursche en omstreken, liet ik via de voorzitter weten dat ook wij een gedegen motivering in het raadsvoorstel misten en ik vroeg of de wethouder ons die motivering alsnog kon aanwijzen. De wethouder liet weten dat hij die vraag liever niet zelf wilde beantwoorden, omdat het hem aan de nodige juridische kennis ontbrak, en hij speelde de beantwoording van de vraag door de heer Korsse, die zoals de wethouder aangaf meeschreef aan het advies ten aanzien van de bestuurlijke lus. Het is goed de wethouder hier te citeren: “Voordat ik juridische uitspraken doe, die ik niet kan doen omdat ik geen jurist ben, wil ik dat graag door de heer Korsse laten doen, omdat die ons geadviseerd heeft ook, om te zeggen wat zijn opinie is ook op de inspraak van de heer Bosch van Drakestein. Want ik denk dat het echt om de zorgvuldigheid gaat, ook hierin, vanzelfsprekend zou ik bijna willen zeggen.” De heer Korsse, die zichzelf voorstelt als Appèl-jurist die mede namens het landgoed input heeft geleverd voor de bestuurlijke lus, reageert vervolgens uitgebreid op de inspraak van de heer Bosch van Drakestein. Als ik hem wijs op de stelling van de Dassenwerkgroep dat uitvoering van het voorstel juist zal zorgen voor kwaliteitsverlies van het weiland laat hij, sprekend namens de wethouder, weten met het landgoed actief zowel de dassenwerkgroep als de stichting Milieuzorg Zeist te hebben benaderd met de vraag mee te denken over een oplossing, maar dat die partijen dit resoluut zouden hebben geweigerd. Beide groeperingen zouden in een brief hebben laten weten “wij gaan hier niet aan meewerken, zoek het zelf maar uit”. Voorzitter wij beschikken over correspondentie tussen de heer Korsse en de Dassenwerkgroep en kunnen niet anders dan constateren dat de heer Korsse sprekend namens de wethouder hier een ernstige loop nam met de waarheid.
Vanwege het feit dat de heer Korsse als jurist van de landgoedeigenaar – hij vertegenwoordigt of vertegenwoordigde het landgoed in twee lopende procedures bij de Raad van State en de Rechtbank Anrnhem – heeft meegeschreven aan het advies van het college en ook nog eens namens de wethouder het woord heeft gevoerd tijdens de raadsvergadering, kan moeilijk worden volgehouden dat de gemeente onafhankelijk tot een eigen besluit c.q. voorstel is gekomen. De wethouder en het college dienen te kiezen voor een onafhankelijk opstelling, maar hebben zich laten hier laten kennen als spreekbuis van de landgoedeigenaar. Als de heer Korsse zijn uitspraken net als de heer Bosch van Drakestein als inspreker en vertegenwoordiger van het landgoed had geventileerd zou het spel zuiver zijn gespeeld. Door hem tijdens de informatieraad op te laten treden namens de wethouder c.q. het college krijgen zijn uitspraken als het ware een bestuurlijk gewicht en dat had niet het geval mogen zijn. Wij kunnen dit niet dan ook niet anders duiden dan ongepast bestuurlijk optreden van de wethouder c.q. het college.